donderdag 3 december 2015

Lopen tot mijn voeten pijn doen

1 december, twee uur in de middag. Het is 31 graden en de zon schijnt haar heetst. Het is een mooie dag om jullie mee te nemen met een wandeling langs de kunst van Aruba. Het einde mijn eilandavontuur begint in zicht te komen en ik heb nog lang niet alle mooie plekjes van het eiland laten zien. We beginnen bij de California Lighthouse, het noordelijkste puntje. De route loopt over verharde wegen, zandpaden, rotsen en strand. Een doel heb ik niet. We vertrekken in zuidelijke richting en ik blijf lopen langs de zee tot mijn voeten pijn doen. Zijn jullie er klaar voor? Neem genoeg water mee, het is warm onderweg.


De vuurtoren, het ijkpunt in het noorden. Het is een smal en vervallen gebouw dat je vanwege veiligheidsrisico’s niet mag beklimmen. Toch komen hier dagelijks hordes toeristen in gekoelde bussen, het is tenslotte een van de weinige monumenten die Aruba rijk is. Hij ziet er gehavend uit, zo in het felle licht. De verf is gebladderd en het uitkijktopje is eraf. Sinds vorige maand wordt de meer dan honderd jaar oude vuurtoren gerestaureerd, zodat het volgend jaar weer als oogappeltje kan fungeren. Nu staat er een hek omheen. Grote containers ontnemen het zicht. De werkmannen zitten in een smalle strook schaduw te grappen. Een vrouw die zojuist uit de bus is gestapt maakt desalniettemin een selfie voor de uitgeklede toren.

We zijn begonnen. Ik wil niet de geasfalteerde weg naar beneden lopen. Ten eerste is de kust aan de noordkant misschien wel de mooiste van het eiland. Ten tweede staat lopen langs de weg hier gelijk aan zelfmoord. De weg vanaf de lighthouse biedt al snel een zandweg naar rechts. Met een bocht komen we dan uiteindelijk uit bij het water. Alsof iemand aan de touwen trekt verandert het decor direct in een woestijnachtige setting. Grote rotsen en bruinig zand worden afgewisseld met witte duinen. Aan deze kant trekt de wind het hardst. De vage paden lijken door God en mens verlaten. Alleen de afdrukken van hondenpootjes in de hardgeworden blubbergrond verraden hun aanwezigheid in dit gebied. 


Hoe dichterbij het water, hoe vager mijn zonnebril. Ze wind blaast vakkundige een zoutlaagje op mijn glazen, alsof het mij het zicht wil ontnemen. Ok, bril af. Ik moet mijn ogen knijpen om het scherpe zonlicht aan te kunnen. Mijn gehoor is beter aangepast. Het dondert. Kolkende golven beuken tegen grijze rosten. De zee lijkt boos, buldert keer op keer, met schuim op de lippen. Nog een stukje dichterbij. De rotsen zijn puntig en moeilijk begaanbaar op mijn teenslippers. De ondergrond trilt bij elke golf. Onder mij blijkt een grot te zitten, dat als een vulkaan de zee terug spuugt. Water en rots voeren een eeuwig duel. Ik kijk toe hoe er tussen water en zon een regenboogje ontstaat. 

Hoe langer ik kijk, hoe meer leven ik zie. Blauwe en groene salamanders schieten weg als ik mijn voeten neerzet. De duinen zijn op sommige plekken bezaaid met vetplantjes die liefelijke roze bloemetjes geven. Op de grond ligt een bijzonder stuk hardgeworden koraal dat lijkt op een bonsaiboompje. De onderkant is opvallend paars, de bladeren zijn een raamwerk van kleine vaatjes. Helaas zijn dit niet de enige dingen die de ruige kust kleur geven. Tussen de stenen en het drijfhout wemelt het van het plastic. De stukjes hebben hun oorspronkelijk vormen en functies verloren door de strijd met het zoute water. Hun feestelijke kleuren zijn allerminst aangetast. Een vogeltje pikt tevergeefs tussen de kunstmatige kustdeeltjes; hij moest een weten.


We gaan de hoek om. De sterke wind valt direct weg. Voor ons reikt het zicht ineens tot ver voorbij de dure hotels. De ruige rotsen maken plaats voor kleinere varianten. We naderen de smalle strandjes van de westkust, mijn meest favoriete. Door het gebrek aan hagelwitzand komen de meeste mensen hier niet graag. Het is het domein van de pelikanen. De vogels met forse lichamen en immense snavels jagen van zonsopkomst tot zonsondergang. Het gaat de hele dag door: duiken, kop naar beneden, water laten weglopen en vis doorslikken. Een keer was ik de pelikanen liever kwijt dan rijk. Toen werd hier op Arashi Beach een schildpaddennest uitgegraven. De kleine en ietwat verzwakte babyturtles konden pas in het water worden uitgezet als de pelikanen het jagen hadden gestaakt. Het geluid van hun ongeduldige flippers in de emmer vergeet ik nooit meer. Ze wilden zwemmen, groeien, een grote zeeschildpad worden en over een paar jaar naar hetzelfde strand terugkeren om eitjes te leggen. De pelikanen waren ons gunstig gezind die avond. De kleine schildpadjes zwommen –zover mijn ogen konden zien- veilig de kust uit.  


Genoeg gepraat, we moeten door. De kust is lang en de dag nog maar kort. Voor ons ligt een lange saai weg. Aan de linkerkant rijden auto’s langs de meest luxueuze villa’s. Bijna alle deuren en luiken zijn dicht. Aan de rechterkant is de zee, waar meer dan op andere plekken aan de westkust kleine golfjes ontstaan. Niet voor niets zijn alle wind- en kitesurfers van het eiland hier te vinden. Onderweg vind ik twee lege portemonnees en drie condoomverpakkingen. Blijkbaar jagen niet alleen de pelikanen in dit gebied.


Bij een ‘I Love Aruba’ bord maak ik foto’s van een Spaanstalig stel. “Just touch de scream”, zegt de man als hij zijn levensgrote telefoon aan mij geeft. Door het kraakheldere glas zie ik hoe de bloedmooie vrouw haar omvangrijke boezem nog dichter tegen het rode hart duwt. Ik begeef me in een heel andere wereld dan waar ik de wandeltocht begon. De ruige wind, zee en rotsen lijken vanaf dit punt het best bewaarde geheim van Aruba. Voor mij staan immense gebouwen;  luxueuze hotels met kitscherige torentjes en grote strandbedden. Een ober op een Segway brengt de badgasten hun cocktails. Hier begint de wereld een beetje gek te worden.

De zee is als een spiegel. Lijven op gekleurde plastic drijfobjecten vullen het oppervlakte. Een voornamelijk Amerikaans geroezemoes is tot op het strand te horen. De mensen in het water vrezen zo te zien het ergste. Ze dragen een t-shirt en een kakikleurige hoed met een touwtje om hun kin. Hun gezichten zijn witgesmeerd en een weerkaatsende zonnebril verstopt hun ogen. In de tamelijk ondiepe zee hangen hun zorgvuldig inpakte lichamen op attributen om boven water te blijven. Hun vingers omklemmen reusachtige to go-bekers, voor het geval er ineens een ernstige dorst opsteekt. De jongere exemplaren dragen weinig textiel bevattende bikini’s. Ze zijn bijna naakt, maar hebben hun smartphone in hun hand. Al in de branding liggend drukken hebberige duimen op het scherm, jagend op de perfecte selfie. Ik ben blij dat jullie meewandelen, want dit gedeelte overdrijf ik niet.


Het is ook de plek waar Natalee Holloway zou zijn verdwenen, althans, in enkele van de vele verhalen rondom dit mysterie. Op dit strand liep Peter R. de Vries in zijn reconstructie druk gebarend te vertellen waarom de verklaringen van Joran van der Sloot niet waar konden zijn. Het is inmiddels tien jaar later en over Natalee praat niemand meer. Het is taboe, slecht voor de imago van het eiland. De stranden liggen weer vol met Amerikanen. Waren een stukje verderop de pelikanen nog de dikste wezens aan de kust, nu zijn het de mensen op de strandbedden die het winnen. Een man wiens buik vele malen ronder dan zijn hoofd, draait met zijn wijsvinger krulletjes in zijn grijze borsthaar. Een wat oudere Amerikaanse man doet stoer tegen zijn vrouw uit de doeken dat hij zojuist Duits heeft gesproken met het ‘lokale’ meisje achter de bar. Als ik haar kant op kijk hoor ik overduidelijk een Rotterdams accent.


We laten de highrise achter ons. Het is lang niet met mooiste, maar vaak wel het meest vermakelijke stukje eiland. Mijn benen beginnen behoorlijk zwaar te worden. De vuurtoren is inmiddels een vingerhoedje in vergelijking met de hotels. Voor mij ligt Eagle Beach, een plek die we niet kunnen overslaan. Het strand lijkt hier breder en witter te worden, de zee blauwer. Het is de plek van de beroemde dividivi-boompjes, die met de wind meegroeien. Op foto’s een zeer bekende plek, maar eenmaal ter plaatste zo goed als onvindbaar. De hele rand van Eagle Beach is prachtig mooi begroeid, de kleinere hotels liggen aan de andere kant van de weg. Hier heb je pas echt het gevoel dat je je op een tropisch eiland bevindt, nietwaar? Wuivende palmbomen, weinig mensen. Midden op het strand staat een wit altaar met vier stoelen en een fles champagne in een koeler. Een bruid in een prachtige witte jurk proost met haar kersverse echtgenoot. Daarna lopen ze nonchalant door de branding, met een fotograaf achter zich aan. De twee getuigen in hun hun mooiste kleren proberen de bubbels in de glazen te houden. Het ingewikkelde kapsel van de vrouw is compleet door de war gewaaid. Trouwen op het strand klinkt romantischer dan het is, moeten zij gedacht hebben. 


We zijn bij de punt van Manchebo Beach, de zee op haar aller blauwst. Het einde van de dag nadert. Steeds meer badgasten vertrekken naar huis, steeds meer schaapjeswolken vullen de lucht. Mijn voeten doen pijn van het ploegen door het mulle zand. Op mijn telefoon zie ik dat we 12 kilometer hebben gelopen in de afgelopen vier uur. Precies tussen twee palmbomen ga ik zitten en kijk ik naar de ondergaande zon. Ja, dat is een mooi moment om te stoppen, vinden jullie ook? Op de laatste foto is de vuurtoren niet meer dan een pixel. Ik heb vandaag werelden van verschil gezien. 

Zo, en nu allemaal met de beentjes omhoog!



Geen opmerkingen:

Een reactie posten