donderdag 24 december 2015

Dushi



De banden piepen. Mijn voet drukt het pedaal zo stevig in dat mijn tenen pijn doen. Mijn hand geeft een ruk aan het stuur, het lijkt sneller te gaan dan mijn hersenen denken. Terwijl ik uitwijk naar links zie ik in mijn achteruitkijkspiegel dat het zwarte hondje ongedeerd de weg is overgestoken. Achter mij geeft een chauffeur toeterend commentaar op mijn manoeuvre. Ik haal opgelucht adem. Al vaak genoeg heb ik dode viervoeters langs de weg zien liggen.

Honden zijn een groot probleem op Aruba. Het zijn er veel te veel en de meeste van hen leven op straat. Van jong tot oud, van dik tot dun; overal zwerven ze rond in roedels. De meesten dragen een halsband waardoor je in eerste instantie niet doorhebt dat het straathonden zijn. Maar de veelal gehavende hondjes zijn ooit als schattige puppy’s door iemand in huis gehaald. Eenmaal groot, sterk en onopgevoed worden de meeste van hen weer op straat gezet, zo heb ik mij laten vertellen. Elke dag worden tientallen wollige babyhondjes op internet aangeboden, mijn Facebooktijdlijn staat er vol mee.


Toch is het leven van een straathond niet per definitie slecht, bedenk ik als ik heel vroeg in de ochtend over een verlaten weg rij. De zon is net op en de lucht voor Arubaanse begrippen nog aangenaam koel. Over de weg rent een groepje honden elkaar achterna met een stok, speels blaffend met hun staartjes in de lucht. Ze kunnen ongestoord dollen zo lang ze willen, om vervolgens in de schaduw van een boom een luie siësta te houden. ’s Nachts slapen ze onder een prachtige sterrenhemel op de mooiste stranden. Bij de afvalcontainers van de supermarkt worden dikwijls grote stukken vlees uitgedeeld. Zo lang een hond sterk en gezond is, is Aruba een paradijs. 


Voor zieke en zwakke exemplaren is er weinig aandacht. In dat opzicht verschilt de dierenwereld weinig van die van mensen. Zo’n tussen-wal-en-schip-hondje staat op een dag ineens voor mijn deur. Het heeft net stevig geonweerd en de straten staan blank. Het zwartbruine beestje heeft grote oren die bij de puntjes omgeklapt zijn. Zijn natte pootjes laten een spoor van afdrukken na. Zijn dunne staartje hangt naar beneden, zijn ronde vochtige ogen kijken vragend.

‘We nemen geen dieren mee naar huis’ beloofden Benjamin en ik elkaar plechtig toen we naar Aruba vertrokken. Wat kunnen we ze bieden in ons leven midden in de grote stad? Al direct bij aankomst op het eiland voelde ik dat ik mezelf sterk moest houden, de honden niet te dichtbij moest laten komen. Mijn dierenhart is nou eenmaal broos. Vanuit de deuropening staar ik nu in de twee grote bruine ogen en ik weet dat het te laat is. 


We noemen hem Dushi. Volgens de buren komt hij hier altijd, want de vorige bewoners gaven hem eten en drinken. Nu verwacht hij duidelijk hetzelfde. Elke ochtend hoor ik zijn pootjes met iets te lange nagels over het grindpaadje lopen. Voorzichtig, alsof hij pijn doet aan zijn voetkussentjes. Hij oogt timide. Zijn staartje hangt altijd laag, zijn kop is naar de grond gebogen als hij komt aanrennen. Zijn pels zit vol met teken. Met zijn achterpootje krabt hij eindeloos naar de kriebels in zijn vacht.

Elke dag komt hij een stapje dichterbij. Zijn tong als een lapje uit zijn mond. Eerst tankt hij water om vervolgens onder de auto weg te kruipen voor een dutje. Maar vandaag blijft hij na zijn drinkbeurt staan op het terras. Als ik hem voorzichtig probeer te aaien legt hij zijn kop op de grond en rolt met zijn rug over de stenen. Zijn vier kleine pootjes vouwt hij onhandig in de lucht. Mijn vingers kriebelen zijn stugge buik. Zachte geluidjes verlaten zijn bek die hij een beetje openhoudt. 


Het dierengeluk is van korte duur. Een witte bus komt met een rotvaart het terrein opgereden. Met de motor nog draaiend stapt de eigenaar van de huizen uit. Hij beent met grote passen onze kant op. Dushi schiet weg. Zijn hangende kopje verdwijnt uit mijn zicht. De man is driftig. Het staartje dat aan de achterkant door zijn pet steekt zwiept heen en weer. Ik hoor hem kreten roepen als ‘verboden de honden te voeren…’ ‘straks zit er overal ongedierte..’ ‘ik schiet hem dood als jullie hem nog langer eten en drinken geven’. We blijven beduusd achter.

Kleine Dushi heeft niets van de tirade meegekregen en staat ’s avonds moe en hoopvol voor onze deur. De dagen daarna zijn een kat-en-muisspel tussen het zoemende geluid van de naderende witte bus en water geven aan het hondje. Dushi komt steeds vaker en blijft steeds langer. Hij heeft ons geadopteerd in plaats van andersom. Als op een avond de badhanddoeken over de stoelen op het terras te drogen hangen verschanst hij zich in de geïmproviseerde tent. Uren ligt hij ongezien te slapen terwijl de boze huurbaas af en aan rijdt.  

Ineens is Dushi weg. Hij is al drie dagen niet langsgekomen en het waterbakje blijft onaangetast. Ik maak een rondje door de wijk, kijk onder alle auto’s. In mijn verbeelding zie ik hem al met zijn grote ogen in de loop van een pistool kijken. Het doet mij meer dan goed is. ’s Avonds hoor ik hondenpootjes sluipen over het grind. Opgelucht ben ik als ik zijn hangende oortjes achter de auto vandaan zie komen. Tegelijkertijd schrik ik van de vijf hondjes in alle soorten en maten die achter hem aanlopen. Hij heeft al zijn straatvriendjes verteld over zijn adoptieouders, het bakje vers water, de slaaptent van handdoeken. Dushi is totaal uitgeput. Hij stort direct neer op de tegels en valt als een blok in slaap. Terwijl ik zijn soortgenootjes probeer weg te sturen besluit ik dat het zo niet langer kan.

De dierenambulance komt de straat ingereden. Het geluid is vele malen zachter dan die van de witte bus en dus blijft Dushi rustig liggen. Honden leren snel. Een vrouw met een bos roodachtig haar stapt met blote voeten de bus uit. Ze heeft nog wel een plekje in de opvang voor het verloren schaap, zegt ze tegen me als ik haar het verhaal vertel. Ze steekt haar blote armen naar Dushi uit. Zijn ogen kijken treuriger dan ooit, alsof hij weet dat dit moment er een keer aan zat te komen. Gelaten laat zijn zich optillen, zijn pootjes recht vooruit gestoken. Vanuit de tralies van het hok kijkt hij me aan. Ik wil hem uitleggen dat zijn toekomst rooskleuriger wordt, maar realiseer hoe belachelijk dat moet klinken hier midden op straat. 


De dagen zijn stiller zonder Dushi. Geen getik van zijn nageltjes op de terrastegels, geen geslurp bij het waterbakje, geen blije pootjes in de lucht. Voor Dushi zijn de dagen juist voller. De teken zijn uit zijn vacht gehaald en het vuil is van hem afgespoeld. Elke dag krijgt hij een bakje brokjes en hij kan water drinken wanneer hij wil. Met heel veel andere honden woont hij in een opvang die ‘vrolijke staartjes’ heet. Ik denk aan Dushi z'n staartje, dat altijd naar beneden hangt. De eigenaar staat ons al op te wachten als we aan komen rijden. Dushi heeft een blauwe halsband om zijn nek en zit geduldig naast de man. ‘Het gaat goed met hem. We behandelen hem tegen wormen en binnenkort wordt hij gecastreerd.’ Zijn bruine hondenogen staan nog even vochtig en timide. ‘Maar het is geen groepsdier’, vult de man aan terwijl hij Dushi over zijn knokige kop aait. ‘Hij liefst zoekt hij mij alleen op. Vorige keer lag hij ineens in mijn slaapkamer, hij houdt van rust en persoonlijke aandacht.’ Dushi kijkt naar hem op alsof hij zichzelf in het verhaal herkent.

Kleine Dushi heeft geluk gehad. Weinig andere kwetsbare honden op Aruba krijgen brokken en een warme hand over hun bol. Vol bewondering kijk ik naar de man die voor meer dan tachtig honden zorgt. Zijn broek heeft een gat en zijn shirt is vuil. Achter het hek zitten ook schurftige exemplaren, of honden met drie poten. Ze zijn hem allemaal even lief. ‘Uiteindelijk houd ik meer van dieren dan van mensen’, zegt hij zacht. Dushi drukt zijn kop tussen zijn scheenbenen, begraaft zijn bruine ogen in de donkere ribstof.  

Met een gerustgesteld hart laat ik Dushi achter, al wil de rest van heel mijn lijf hem mee naar huis nemen. ‘De goedheid van een land kan afgelezen worden aan hoe het met zijn dieren omgaat’, zei Gandhi ooit. Ik denk aan de honden op Aruba en het stemt mij treurig. Maar de kunst is om de uitzonderingen op de regel te zien, zij die hoop geven. Mensen die weinig hebben maar veel geven. Ik kijk naar het blauwe lint tussen de hondennek en de mannenhand. Het is een band voor het leven. Dushi hoort hier op Aruba, in de warmte en rust van een tropisch eiland, en niet in de Nederlandse hectiek van de stad. De hand van de man is vies en bruin van de hondenvachten, maar ik schud hem met liefde.





Geen opmerkingen:

Een reactie posten